De Wet op de orgaandonatie

In 1996 is de Wet op de orgaandonatie (Wod) ingevoerd in Nederland. Deze wet heeft bepaald dat iedere Nederlander van twaalf jaar of ouder zelf kan aangeven of hij wel of niet orgaandonor wil zijn. Maar wat staat er eigenlijk nog meer in deze wet? 

Met de Wod is het geregeld hoe Nederlanders hun organen ter beschikking kunnen stellen bij leven of na het overlijden. Het Donorgesprek gaat over orgaandonatie dat plaatsvindt na het overlijden van de donor. Dit aspect van de wet op de orgaandonatie wordt dan ook behandeld.

Het Donorregister
Om de Wod uit te kunnen voeren, is in 1998 het Donorregister opgericht. Het is aan de Nederlanders van twaalf jaar of ouder zelf om zich te registreren in het Donorregister. Wanneer je je registreert, wil dat niet zeggen dat je ervoor kiest om orgaandonor te zijn. Het doel van het Donorregister is namelijk om duidelijkheid te geven aan iedereen die bij donatie is betrokken. Daarom krijg je bij je registratie vier keuzes:

  1. U stelt uw organen en weefsels na uw overlijden beschikbaar voor transplantatie.
  2. U stelt uw organen en weefsels na uw overlijden niet beschikbaar voor transplantatie.
  3. U laat de beslissing over aan uw nabestaanden.
  4. U laat de beslissing over aan een specifiek persoon.

Wanneer je je organen en weefsels beschikbaar stelt voor transplantatie, is het ook mogelijk om aan te geven welke organen en weefsels je niet beschikbaar stelt. Het is dus niet zo dat je per se al je organen beschikbaar stelt. Ook is het altijd mogelijk om je keuze te veranderen. Als men zich niet heeft geregistreerd, zal de vraag altijd aan nabestaanden worden gesteld. Dit is wettelijk verplicht. En wanneer een donor voor zijn/haar 16e overlijdt, zal de vraag nog een keer aan de ouders worden gesteld. Wanneer de ouders er toch op tegen zijn, zullen de organen niet worden getransplanteerd.

Het vaststellen van de dood
In de Wod staat dus wie toestemming kunnen geven voor orgaandonatie en hoe zij dit moeten doen. Daarnaast is met deze wet ook geregeld hoe de dood van een orgaandonor wordt vastgesteld. Dit wordt bepaald door een arts die niet bij de verwijdering of implantatie van het desbetreffende orgaan betrokken mag zijn. Wanneer de organen verwijderd worden, moet de arts vaststellen dat de donor hersendood is. Daaronder wordt verstaan: ‘het volledig en onherstelbaar verlies van de functies van de hersenen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg.’ De arts moet hiervoor het Hersendoodprotocol doorlopen. Op het Donorgesprek zal dit Hersendoodprotocol nog uitgelegd worden.

Ook de melding en toewijzing van beschikbare organen staat geregeld in de Wod. De arts die bepaalt dat de organen van de donor beschikbaar zijn, doet daar melding van bij een orgaancentrum. Dit orgaancentrum bepaalt welke persoon in aanmerking komt voor het desbetreffende orgaan. Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met de bloed- en weefselovereenkomst van de donor en van de ontvanger van het orgaan, de medische noodzaak van de ontvanger en de wachttijd van de ontvanger.

Als laatst worden de voorbereidende handelingen en het verwijderen van organen behandeld in de wet. Dit stuk zal behandeld worden in het artikel over het Hersendoodprotocol, omdat dit protocol op dat moment wordt doorlopen.

Orgaanhandel
In Nederland is handel in organen verboden. Er staat een gevangenisstraf van maximaal 1 jaar of een geldboete op. De transplantatie van organen mag alleen in ziekenhuizen die daarvoor een vergunning hebben. Dat is op dit moment alleen in academische ziekenhuizen. Omdat de wachttijd voor organen vaak lang is, proberen sommige mensen een orgaan in het buitenland te krijgen. De overheid ontmoedigt dit ‘orgaantoerisme’.

Advertenties

1 Comment

  1. Orgaantransplantatie is algemeen mogelijk geworden na de Tweede Wereldoorlog. Het bleek echter niet mogelijk om organen te gebruiken van mensen die waren overleden. De organen dienden vitaal te zijn en tot aan het einde van de uitneemoperatie te worden voorzien van zuurstofrijk bloed. Nadat in 1967 in Zuid Afrika de eerste harttransplantatie met succes was uitgevoerd maakte de transplantatiekunde een enorme groei door. Medici stonden nu voor een enorm dilemma, zij hadden organen nodig uit levende lichamen om succesvol te transplanteren. Wettelijk was het niet toegestaan om enkelvoudig aangelegde organen te verwijderen bij levende mensen omdat door deze operatie de donoren zonder meer komen te overlijden (het verwijderen van meervoudig aanwezige organen zoals één nier waarbij de donor niet overlijdt valt hier niet onder).

    In 1968 kwam aan de medische faculteit Harvard (USA) een groep van medici, rechters en filosofen bijeen en de groep bedacht een manier om de dood te herschrijven. De term hersendood werd ontwikkeld en aan die dood werd een definitie gegeven. De definitie “indien iemand hersendood is, dan is hij dood” werd door hen vastgesteld. Hiermee konden orgaanuitnames bij levende mensen plaatsvinden zonder dat de artsen schuldig werden gevonden aan moord of doodslag.
    In Nederland is de wetgeving hierop aangepast. De Wet op Orgaandonatie is op 24 mei 1996 ingegaan.

    Iemand waarvan wordt verondersteld dat hij of zij hersendood is kan worden doodverklaard op basis van de uitkomsten van het hersendoodprotocol, maar is dan niet werkelijk overleden. Het is slechts een papieren dood.
    Met het doodverklaren van mensen die nog in leven zijn wordt een enorm risico genomen.
    De verzorging van de patiënt door het verplegend personeel op de IC gaat nog steeds liefdevol en zorgzaam door. Toch heeft er een essentiële verandering plaatsgevonden, de patiënt leeft nog maar is op papier doodverklaard. Voor de wet is hij nu een stoffelijk overschot dat mag worden beademd (wod § 2 artikel 14 lid 1). Iedereen weet dat het beademen van een stoffelijk overschot doelloos is. Om die reden gebeurt er meer met de donor dan in dit artikel van de wet wordt omschreven. Naast het beademen wordt de bloedcirculatie op gang gehouden om de organen te blijven voorzien van zuurstofrijk bloed. Wat daarbij ook niet wordt vermeld is dat de hersens van de donor ook steeds voorzien blijven van zuurstofrijk bloed. Het is van belang om zich te realiseren dat de aanstaande orgaandonor hiermee volledig in leven wordt gehouden.

    Wet op Orgaandonatie § 2 artikel 14 lid 1
    Voordat een orgaan wordt verwijderd, wordt de dood vastgesteld door een arts die niet bij de verwijdering of implantatie van het orgaan betrokken mag zijn. Indien het voornemen bestaat tot het verwijderen van een orgaan uit een beademd stoffelijk overschot, wordt de dood vastgesteld aan de hand van de volgens de laatste stand van de wetenschap geldende methoden en criteria voor het vaststellen van de hersendood door een ter zake kundige arts.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s